Momenteel schrijf ik niet veel. Geen eigen werk, bedoel ik. De drift waarmee ik in drie maanden tijd Ernest Hemingway is gecanceld schreef is verdwenen. Noem het maar stilte na de storm, of een val na de race. Het is weer het gevoel dat niets beklijft, dat ik me overal toe moet zetten.

Om deze reden kunnen ook boeken, films of series me niet echt meer boeien. Niets komt binnen. Derhalve kijk ik dingen die ik normaal niet kijk, zoals gisteren een documentaire over extreme sporters: mensen die surfen op twintig meter hoge golven, die van een belachelijk steile berg af skiën. Misschien voelde ik me ertoe aangetrokken omdat ik verlang naar dergelijke toewijding en hyper-intense doodsverachting. Het schitterende natuurgeweld en de pure eenzaamheid die nooit saai of pijnlijk voelt; er staat te veel op het spel.

Het meeste voelde ik bij de paragliders, mannen die met zo’n langwerpige parachute (in de breedte) van een berg af rennen en dan vliegen. Ze zweven op de warme-luchtstromen, soms rakelings langs de grond en rotsen, maar ook hoog boven het water. Ze stijgen ook; het is niet alleen maar dalen zoals bij een reguliere parachute. Een mens kan dus echt vliegen. Uren lang. Die parachute, dat is een paar vleugels. Een mens is dan niet anders dan een vogel. Maar meer nog was er de realisatie dat de dromen waarin ik vlieg—en dat zijn er veel—de manier van opstijgen precies is als bij de paragliders, maar dan zonder parachute: ik ren tegen de wind in en word opgetild, en dan vlieg ik.

Op de één of andere manier denk er steeds weer aan. Ook toen ik in De Groene Amsterdammer een ingewikkeld stuk las over virussen en hoe de mens zich tot de natuur verhoudt. De auteur schreef over onze geschiedenis en haalde een voorbeeld aan: dat honderd jaar geleden een Ier nog nooit buiten Ierland was geweest en niets over de rest van de wereld wist. Nog maar honderd jaar geleden! Nu hebben we de atoom gesplitst, is er Google en artificial intelligence en kunnen chirurgen operaties uitvoeren ook al zijn ze er zelf niet bij. Het gaat te snel. Het is rakelings vliegen langs een rotswand. Sneller en sneller, tot het zo snel gaat dat niets meer van elkaar te onderscheiden is, omdat je niks meer kunt vasthouden, niets meer scherp in beeld kunt krijgen en niet meer weet wie of wat je bent.

Singulariteit. In kosmologische zin betekent het: ‘Een punt met een oneindig klein volume en een oneindig grote dichtheid. De ruimtetijd is hier zó sterk gekromd, dat ruimte en tijd feitelijk ophouden te bestaan.’ In technologische zin betekent het zoiets als: ‘Het moment waarop artificial intelligence verder ontwikkeld is dan onze eigen intelligentie en daardoor meer invloed uitoefent op onze maatschappij dan wijzelf.’ In spirituele kringen heb je nog zoiets als advaita, oftewel non-dualisme, oneness, de ondeelbare en inherente essentie van het al.

En ik zie dan ook nog een overkoepelende vorm van singulariteit voor me; eentje waarin alle drie de vormen samenkomen en één zijn. En dat begint met zo’n sprong tegen de wind in. Dan versmelten met alles. Erin opgaan.

Opnieuw dacht ik hieraan toen ik zojuist op mijn fiets voor rood licht stond te wachten. Over de ringwegdie ik wilde overstekenreed een mooie oude camper voorbij. Die dingen vallen me tegenwoordig altijd op; het was de droom van mijn ex-vriendin om er samen in te reizen. Dat leek me eerst niks—zo krap en benauwd—maar later wel. Later in de zin van: toen het al te laat was. ‘Kijk,’ zei ik hardop tegen mezelf toen de camper voorbijkwam. ‘Daar gaat onze droom.’

Wat dit laatste met het bovenstaande te maken heeft? Ik denk de snelheid. Hoe je bijna de lucht langs je gezicht kunt voelen gaan, onderweg naar een punt met een oneindig klein volume en een oneindig grote dichtheid, waar de ruimtetijd zo sterk is gekromd dat ruimte en tijd feitelijk ophouden te bestaan. Omega.

 


Héél leuk als je je op deze stukjes wilt abonneren. Het is gratis.

Afgelopen dinsdag verscheen mijn thrillernovelle: Kwaad bloed.