In de trein naar Groningen zat ik op een tweezits. Voor me was nog een tweezits, en daarvoor nog een. Op de tweezits voor me zat een vrouw, bezig met haar telefoon (wie niet?). Op de tweezits voor haar zat een moeder naast haar zoontje, ik schat van een jaar of vijf. De moeder was (wie niet?) bezig met haar telefoon, en het jongetje verveelde zich. Hij ging omgedraaid zitten, met zijn knieën op het zitvlak, en spiekte over de rand van de rugleuning naar de vrouw achter hem. Nee, het was geen spieken, het was staren, of nog beter: aangapen. Zijn mond hing een eindje open. De vrouw deed niets boeiends, maar toch was de jongen gefascineerd. Het staren zelf was misschien wat hem boeide; gewoon maar staren naar een ander mens.

Plots werd ik getroffen door een jeugdherinnering. Ik zal een jaar of tien zijn geweest en zat naast mijn vader in de trein, ook weer op een tweezits. Voor ons zat, net als het hierboven beschreven jongetje, een jongetje van een jaar of vijf omgedraaid op zijn knieën. In die tijd hadden de bankjes nog een los gedeelte voor het hoofd, en tussen de rugleuning en dat hoofdgedeelte zat een opening, een horizontale gleuf. Het jongetje gaapte ons aan door die opening; we zagen alleen zijn ogen.

Een telefoon om op te kijken hadden we niet (wie wel?), en dus waren we ons bewust van het aangapende jongetje. Het jongetje zag dat we hem zagen. Dat maakte hem niet zelfbewust, of in ieder geval leek hij geen last van gêne te hebben. Hij bleef maar staren, vooral naar mij. Ik werd er ongemakkelijk van en grinnikte een beetje. Mijn vader ook. Het deed het jongetje niets; hij bleef staren, niet treiterig, niet brutaal, maar eerder een beetje sullig en dom, alsof hij was gedrogeerd of misschien een lobotomie had gehad. Zijn fascinatie voor ons, als het dat al was, was net als in het geval van dat andere jongetje een soort wezenloze, lakse preoccupatie. Wij waren voor hem wellicht wat een muur is voor iemand die zonder zijn verstand uit een coma is gekomen.

Maar toen gebeurde het. Zonder zijn blik van me af te halen plaatste hij heel kalm een lekker groot snoepje tussen de opening. Een snoepbol. In zijn blik leek nu iets te veranderen. Een teken van leven, van anticipatie.  Vond ik het geen lekker snoepje? Ik zou er zeker wel een keer aan willen likken hè? Die bol een beetje door mijn mond laten gaan. Het had iets pervers, alsof hij een van zijn teelballen had neergelegd.

De herinnering maakte me aan het lachen. Ik was enige die niet op zijn telefoon keek, en dus misschien wel de enige die zich überhaupt iets herinnerde.


Mijn meest recente boek heet Berichten uit het tussenhuisje. Je abonneren op deze stukjes kan hier