Een jonge vrouw houdt zich vast aan een metalen paal in de sprinter. Het is half zes ’s middags, ze is moe, het is druk, ze moet staan. Vrij klein is ze. Ze draagt een leren jack, dure Nike’s en een strakke spijkerbroek die haar billen mooi prononceert maar ook het vet dat disproportioneel bulkt op de zijkanten van haar bovenbenen. Ze luistert muziek door een hippe koptelefoon van Marshall en kijkt daar chagrijnig bij.

De man die naast me zit, net als ik op zo’n klapstoeltje tegen de wand, werkt op zijn laptop. Door een degelijke bril staart hij er geconcentreerd en ernstig naar. De laptop staat op zijn knieën. Hij draagt een simpel overhemd, een donkerblauwe broek en de sufste bruine leren schoenen die ik ooit heb gezien; het is alsof ze het liefst sandalen waren geweest maar in de fabriek tot de vorm van een schoen zijn gedwongen. Op het scherm van de man zie ik een tekstbestand met kaders en bulletpoints en de titel ‘Speerpunten Beleidsadministratie 2018’. 

Het is zo druk dat de vrouw steeds last heeft van de andere mensen; ze probeert tot ieder van hen een gepaste afstand te bewaren. De man naast me heeft zijn benen over elkaar geslagen; zijn rechtervoet bungelt los van de vloer en raakt steeds de broek en het been van de vrouw, die er dan heel zuur naar kijkt, en zucht, wat de man niet doorheeft. Van een #metoo-situatie kunnen we absoluut niet spreken, maar dat er sprake is van ongewenste intimiteit kunnen we niet ontkennen. Spitsuur in een sprinter is in feite voor álle betrokkenen natuurlijk één grote ongewenste intimiteit.

Voor de vrouw met de Marshall-koptelefoon is de man met de laptop de culminatie van alles wat haar tegenwerkt en chagrijnig maakt. Hij is de personificatie van al het onrecht dat haar gedurende haar leven is aangedaan of overkomen. Dat haar broek aan de zijkanten zo uitstulpt en niet even mooi zit als bij sommige andere vrouwen, terwijl ze daar wel degelijk recht op heeft, ook dat is nu even zijn schuld. Zie hem dan zitten, met zijn suffe kantoorkleren, zich uiteraard van geen kwaad bewust, die lompe lul met zijn lelijke schoen-sandaal-hybriden.

Mijn oudste zoon, ook op zo’n klapstoeltje, bestudeert de Nike’s van de vrouw en vergelijkt ze zorgelijk met de zijne. Mijn jongste, naast me, rust met zijn hoofd op mijn schoot. Hij ziet niets en dagdroomt van een leven dat lijkt op het zijne. En ik? Ik ben een tornado waarin duizenden ogen maar rond- en rondgaan. Ik ken geen rust, ik moet altijd alles zien.


Neem gerust een abonnement op deze stukjes. Doe jezelf een lol