In deze kerk ruikt alles nieuw. Het gebouw zelf staat er al even (ingewijd in 1925, toen de mensen nog in God geloofden), maar de fitnessapparatuur die erin staat kon niet moderner zijn. Oké, in een hoekje liggen een paar losse halters, maar verder is elk toestel elektronisch; je kunt er je magnetische sleutel tegenaan houden en het vertelt je wanneer je goed bezig bent, of het moedigt je juist aan: kom op, niet opgeven nu, je hebt bijna je doel bereikt.

Je doel, dat is belangrijk. Van het mijne ben ik zo zeker niet meer. Er een beetje goed uit blijven zien, gezond proberen te blijven. Dat volstaat nu blijkbaar. Ik begon ooit, toen ik jong was, met boksen. Daarna werd dat kickboksen en ik heb ook nog even geskateboard. Dat waren tenminste nog sporten met een eigen cultuur, rituelen, een ziel. Ik wilde er beter in worden, ik wilde souplesse voelen, beheersing, het gevecht aangaan met zowel de tegenstander als mezelf. Nu ben ik één van de dertigplussers die zich bij de ingang van de supermarkt een brochure in de hand heeft laten drukken om zich daarna schouderophalend over te leveren aan de uniformiteit van deze gloednieuwe sportschoolketen.

Op een bankje, licht bezweet na wat halfslachtig bankdrukken, staar ik wezenloos naar de zaal. De loopbanden en crosstrainers hebben allemaal een klein beeldscherm waarop een uitzending van Pauw wordt herhaald, een close-up van Jeroen Pauw honderdmaal vermenigvuldigd. Uit de speakers komt een soort trance, aldoor met dezelfde beat, waarin refreintjes van klassieke hits zijn te herkennen, als spaanders van een mooi schip, drijvend op een grijze zee. Hoog in de kerk hangt een gigantische zon gemaakt van tientallen TL-buizen. Die zon beschijnt de ijdelen beneden, maar verlicht ook de heiligen op de muur: Jezus en zijn twaalf discipelen zitten aan tafel en aanschouwen ons, sporters met de magnetische sleutels, trots na een digitaal schouderklopje van een apparaat.

Een vrouw van rond de dertig loopt voorbij. Ze draagt een strakke stretchbroek. Ik kijk haar na: billen, taille, manier van lopen. Even is er onbewust de afweging: wil ik me met haar voortplanten? Banale biologie, en dat in het huis van God. Maar echte interesse heb ik niet; ik ben als een vermoeide reu die bij het ruiken van een teefje even zijn kop optilt en dan weer met een zucht laat vallen. 

Als ik me omdraai, klaar voor de volgende fantasieloze oefening, zie ik door het raam een zwerver in de kou een paar peuken rapen. Als hij overeind komt kijkt hij verdwaasd de kerk in. Maar hier wacht hem geen aalmoes, geen schuilplaats, geen balsem voor de ziel. Hier wacht hem een maandabonnement à dertig euro. Met gratis bidon, dat wel.   

Als ik de kerk verlaat kijk ik nog eenmaal naar Jesus. Smekend steekt hij zijn armen naar me uit. Alsof ik ons kan redden. 


Neem anders zo’n heerlijk abonnementje op me.