Het was bij de Dela dat mijn vriend T en ik bij de Starbucks zaten. Dela heeft een groot gebouw, hier in Eindhoven, en in plaats van een eigen koffiekantine hebben ze een Starbucks. Dat is nu blijkbaar een ding.

Mijn vriend T wilde er koffie drinken omdat het er zo lekker rustig is; een plek ín maar toch ook búíten de stad. Mijn vriend T houdt van dit soort plekken omdat ze hem daar meestal niet om een selfie vragen.

T klaagde over het één of ander, al sliep hij de laatste tijd juist goed, zei hij, wat dan wel weer fijn was, maar ik bleef hangen bij het fenomeen van de Starbucks in de Dela. Ik heb dat vaak: de neiging om een punt te maken van wat feitelijk misschien een trivialiteit is.

Er was geen service aan tafel; we moesten bij de kassa bestellen. ‘Laat mij maar,’ zei ik snel.

Ik bestelde onze koffie’s en trommelde tijdens het wachten met mijn vingers op de toonbank. ‘Hoe zit dit eigenlijk,’ zei ik. ‘Hebben jullie je gewoon gevestigd in de Dela? Kan dat gewoon?’ Ik ging ervan uit dat Starbucks zich hier naar binnen had gewerkt, en dat ze dus voortaan echt overál zaten, als een kapitalistisch virus. Mijn oudste zoon gaat volgend jaar naar de middelbare school; in gedachten zag ik hem in de schoolkantine een Caramel Frappuccino bestellen. Daarna zag ik voor me hoe ik ’s ochtends de trap afliep en gapend een Flat White bestelde bij de Starbucks in mijn woonkamer.

Maar nee. Het meisje wist me te vertellen dat Dela zélf om deze Starbucks had gevraagd. ‘Aha,’ zei ik. ‘Jullie hebben de vijand dus zelf binnengehaald, als een paard van Troje.’ Ze keek haar collega aan: wat moet ik met deze man?

Ik wilde weten: ‘Betalen jullie hén of zij júllie?’ Dat wist ze niet precies. Wel wees ze op het logo waar heel groot bovenstond: We Proudly Serve. ‘Daaraan kun je zien dat het geen echte Starbucks is,’ legde ze uit. Dus: ze servéren alleen maar Starbucks, ze zíjn het niet. ‘We hebben ook een beperkt assortiment. En we mogen geen groen schort aan.’

‘Jeetje,’ zei ik, hoofdschuddend, want ik vond het allemaal maar heftig. Met de twee koffie’s liep ik terug naar T en vertelde hem alles. Zijn interesse was matig, maar gelukkig sloeg hij aan op het groene schort. Verontwaardigd zoals alleen hij verontwaardigd kan zijn: ‘Dat je ergens werkt waar je zo’n groen schort aan móét, dat is al kut, maar als je dan zo’n groen schort, dat je al niet wil dragen, niet mág dragen? Dat zou ik niet pikken.’

Daarna klaagden we om beurten verder, en dronken we van onze (We Proudly Serve) Starbucks koffie die – in tegenstelling tot wat droeftoeterige koffie-nerds altijd beweren – gewoon hartstikke lekker is. 


Zie HIER welke boeken ik schreef en hoe je je kunt abonneren op deze stukjes.