’s Avonds had mijn oudste zoon met vrienden op straat gehangen. ‘Pap!’ riep hij enthousiast toen hij thuiskwam. Hij had iets gefilmd. In de lucht. Een gek lichtje dat bewoog. Hij liet het me zien; ik had geen idee wat het was. Hij zoomde erop in: het lichtje werd een soort luminescente kwal. Ik plaatste het filmpje op Instagram. ‘Een drone,’ zeiden sommigen. ‘Een wensballon,’ zeiden anderen.

Toen hij naar boven liep om zijn pyjama aan te trekken bleek zijn broertje, die ik een halfuur eerder naar bed had gebracht, nog wakker te liggen. Vanuit de huiskamer hoorde ik ze zachtjes praten. Wat er aan de hand was, wilde mijn jongste weten. Mijn oudste gaf antwoord. Ze bleven praten. Wat ze precies zeiden kon ik niet verstaan. Het ontroerde me. Hun stemmen klonken zo anders. Niet dat haastige, niet die haat en nijd, die concurrentie. Nee, open en kalm, en warm. Broederlijk, haast volwassen.

Het waren stemmen op een overloop in het donker, en dat is een aparte categorie. Ik kan het niet uitleggen.

Het sterkst is dat gevoel wanneer je in een vreemd huis logeert. Of wanneer mensen bij jou logeren. De dag is al voorbij, je hebt je al min of meer in je eigen wereld teruggetrokken. De overloop—bijvoorbeeld op weg naar de badkamer—is dan een overlap van die verschillende eigen werelden. Het kan spannend zijn; liever kom je er niemand tegen. Maar ook kan het knus zijn; juist de kwetsbaarheid voelt intiem en troostrijk.

Als je met iemand samen bent dan is zo’n overloop ook weer anders. ’s Nachts in een vakantiehuis met je kind naar de wc lopen, door het donker, fluisterend.

Die stemmen, hoe die dan klinken, dat is wat ik bedoel.

Of met je geliefde. Ik weet nog één van de eerste keren dat ik met mijn ex-vriendin in het grote huis van haar ouders logeerde. De overloop daar was gigantisch, met van dat heerlijke tapijt onder je blote voeten. Maar ook was de badkamer ver verwijderd van onze slaapkamer. Ik moest plassen en zag er tegenop; God weet wie ik zou tegenkomen. Toen zij, mijn ex, slaperig uit bed stapte om te gaan plassen, zei ik snel: ‘Ik ga mee!’ Ze liep voor me uit en hield mijn hand vast. Ik was het kind dat door haar naar de wc werd begeleid. ‘Het is oké,’ zei ze. Ik fluisterde iets terug. Stemmen op de overloop.

Die stemmen, die bedoel ik.

Later, toen het al een tijdje uit was tussen ons en we toch weer heel even contact hadden, vertelde ik haar over dat moment, en hoe goed ik me het nog kon herinneren, hoe bijzonder het voor me was geweest. Maar zij wist het niet meer.

Het is een confronterende en verdrietige gedachte: dat je van een relatie allebei verschillende dingen onthoudt, en dat die relatie dus voor de één in feite heel anders was dan voor de ander.

Gelukkig zijn er ook altijd dingen die je je wél allebei hetzelfde herinnert. Misschien is dat de liefde die nooit overgaat, en waar je altijd naartoe terug kan. No one you love is ever truly lost, schreef Hemingway. Ik probeer het zo te zien. Daar het mooie van in te zien. Er niet nog verdrietiger van te worden.

Misschien mis ik dat het meeste van alles: onze stemmen op de overloop.

En dat lichtje in de lucht? Het verlossende antwoord kwam van wetenschapsjournalist Govert Schilling: mijn zoon had het ISS ruimtestation gefilmd.

 


Je kunt je op deze stukjes gratis abonneren en wel HIER.