Ik was met een meisje in het Van Abbemuseum te Eindhoven. Er was een tentoonstelling van Rasheed Araeen, die ik uiteraard niet kende (ik ken niemand). Een politiek geëngageerde, Pakistaanse kunstenaar. Een tikkeltje verongelijkt, ook; enkele van zijn werken stonden bol van frustratie en miskenning. De meeste werken vond ik niet zo bijzonder, vooral de 3D-geometrische dingen niet. Wel de schilderijen waarop hij Amerikaanse popcultuur afzette tegen bloederige taferelen uit het Midden-Oosten.

Er was één werk dat een beetje was weggemoffeld. Het had ook geen informatiebordje. Van alle werken heb ik daar het langste naar staan kijken. Het waren vier televisies, met de beeldschermen naar elkaar toe, tegen elkaar aan, met in het midden een afgesloten, vierkante ruimte. De televisies stonden aan en op allemaal was een talkshow bezig. Eindeloos gepraat, de ene talkshow kwetterend tegen de andere. Eindeloos, een spiegelpaleis van vluchtige meningen. Er waren geen toeschouwers nodig; de presentatoren en gasten hadden genoeg aan zichzelf. Maar wat ik echt mooi vond was de tijger in het midden, opgesloten in die kleine vierkante ruimte tussen de tv’s. Een porseleinen tijger, agressief, angstig. Klaar om aan te vallen, maar bang. Terugdeinzend. Hij kon geen kant op; aan alle kanten werd hij geconfronteerd met die oeverloos kleppende deskundigen en entertainers. Ik weende om het gevangen wilde dier in mijn eigen hart. 

In het museum waren natuurlijk ook suppoosten. Het meisje en ik stonden bij een installatie over Vietnam. Je mocht erin, maar alleen op je knieën. We stonden erbij en keken over het randje, zodat we toch naar binnen konden kijken. ‘Je moet erin,’ zei een suppoost streng, een vrouw van middelbare leeftijd. ‘Op je knieën.’ Dus dat deden we toen maar. Echter, meteen kreeg ik op mijn donder omdat ik de installatie raakte. ‘Sorry,’ zei ik, op mijn knieën, naar haar opkijkend.

‘Je moet het vóélen,’ zei ze. ‘Je moet kruipen voor Vietnam zoals de Vietnamezen moesten kruipen voor de Amerikanen.’ Zachtjes antwoordden we: ‘Ja, mevrouw.’

Daarna was er een tweede suppoost, ook een vrouw van middelbare leeftijd, die kloek op ons afstapte. Of eigenlijk op mij. ‘Ze zeggen dat jij een bekende schrijver bent.’ 

Ik stamelde: ‘Nou, bekend, bekend…’

‘Ik ken je niet,’ zei ze. ‘Waar schrijf je dan voor? Ik zie je nooit ergens instaan. Het Eindhovens Dagblad?’ Ze keek me strak aan en negeerde het meisje volkomen.

‘Nee,’ zei ik. ‘Voor van alles. En boeken.’

‘Zoals die andere schrijver,’ zei ze. ‘Hoe heet hij?’

‘Dat weet ik niet.’

‘Jawel. Ook van hier. Daniël…?’ Ik moest het haar zeggen, vond ze. Maar ik had geen idee. Ze was nu bijna boos.

‘Wim Daniëls!’ zei ze. 

‘Ah ja,’ zei ik. ‘Die schrijft ook ja. Maar wel wat anders, geloof ik.’

Nu was ze echt teleurgesteld. Mijn reactie op Wim Daniëls was te lauw geweest.

‘Hij komt bij DWDD,’ zei ze, waarmee ze bedoelde: hij wél. Wat ik daarop te zeggen had, zo keek ze.

‘Dat klopt,’ zei ik, en liet het daarbij.

Ze keek me bitter aan, alsof ze had besloten dat ik onmogelijk een bekende schrijver kon zijn, en mij die deceptie kwalijk nam. Bijna bood ik aan om nog een poosje op mijn knieën in die Vietnam-installatie door te brengen.


Klik hier voor een plus-abonnement met leuke extra’s of een eenmalige donatie. Mijn aanstaande boek heet Berichten uit het tussenhuisje (maart).