‘Aankleden nu,’ riep ik, vanochtend, naakt, me afdrogend in het halletje te midden van de badkamer en de slaapkamers van mijn twee zoons. Ik riep het naar mijn jongste, wiens deur ik voor het douchen al had opengedaan, en voegde eraan toe: ‘Jouw beurt om de tafel te dekken.’

Vanonder zijn laken antwoordde hij: ‘Nee.’

De ochtenden zijn altijd een crime. Hij weet hoe irritant ik het vind als hij zo doet, dus liep ik bij hem naar binnen en rukte het laken van hem af.

‘Au!’ schreeuwde hij. Hij greep naar zijn hals en huilde boos. Het irriteerde me, weer dit gedoe in de ochtend. Ik had mijn onderbroek nog niet eens aan. Ik ergerde me aan zijn tranen; degene die boos moest zijn was ik en zeker niet hij.

Bij nadere inspectie bleek hij flinke rode striemen in zijn hals te hebben. Misschien zelfs lichte brandwonden. Hij had zichzelf strak in zijn laken gerold en toen ik het van hem afrukte had het blijkbaar als prikkeldraad langs zijn hals geschuurd. ‘Ik ben een beetje misselijk,’ zei hij, op de rand van zijn bed, zijn hand in zijn nek.

Ik troostte hem en zei dat het natuurlijk niet mijn bedoeling was geweest om hem pijn te doen; ik had gewoon zijn laken willen wegtrekken. Ik zou de tafel wel dekken, zei ik. Toch voelde ik ook frustratie: iedere ochtend weer gedoe, altijd door hem, of door hen, ook deze ochtend weer, en nu was ik weer de slechterik, nu had ík het gedaan en was híj zielig.

Terwijl ik de tafel dekte, en zijn oudere broer boven stond te douchen, zat hij op de bank te jammeren met een icepack tegen zijn hals. ‘Ik ben nog steeds misselijk,’ zei hij. De rode striem was nu duidelijker, alsof hij in een strop had gehangen, of iemand hem had proberen te wurgen. ‘Je moet dit wel even uitleggen aan de meester,’ zei ik. ‘Hoe het gebeurde, dat ik het niet expres deed, dat het kwam door het laken.’ Hij knikte boos. Ik stelde me voor dat ik de meester was. Zulke striemen in je nek omdat iemand je laken heeft weggetrokken? En juist het feit dat een kind uit zichzelf met zo’n onwaarschijnlijk verhaal kwam rook naar onraad. Google ‘Kinderbescherming’.

Voor de zekerheid benadrukte ik: ‘Het was een ongelukje, dat weet je hè?’ Hij knikte, nog altijd boos en met wraakzuchtige oogjes, wat me nog banger maakte voor hetgeen zich in de klas zou voltrekken. Misschien moest ik mee naar binnen gaan en het zelf uitleggen? Nee, dat was nóg verdachter.

Aan het ontbijt at hij traag zijn boterham, nog steeds met zijn icepack en boze blik. ‘Wat als het nooit meer overgaat?’ zei hij.

‘Alles gaat over,’ antwoordde ik, waarop hij me boos zijn rug toekeerde en een lange, sputterende scheet liet.


Je kunt je HIER op deze stukjes abonneren, zowel betaald (met extra’s) als gratis. Mijn laatste boek heet Berichten uit het tussenhuisje.