In de kroeg vroeg iemand: ‘Zo’n stukje, hoe lang doe je daar nou over?’

Ik antwoordde: ‘Halfuurtje ongeveer. Ik schrijf het bij de koffie. Daarna ga ik pas echt schrijven. Zo’n stukje is een soort warming-up.’

Dat voelde goed om te zeggen. Het wordt me vaker gevraagd, en altijd baad ik in de verbazing van de ander. Daarom zeg ik het ook extra achteloos, zodat het nog stoerder klinkt, terwijl ik vanbinnen grijns als een jongetje dat vertelt dat hij het afgelopen voetbalseizoen topscoorder was. Maar soms lukt dat niet, soms kan ik het niet met een strak gezicht zeggen.

Zoals laatst, toen ik een vrouw op bezoek had die zelf ook schrijft. Zij vroeg me hetzelfde, en wederom antwoordde ik: ‘Halfuurtje, ik doe het bij de koffie, pas daarna ga ik écht schrijven.’ Ik probeerde het met een strak gezicht te zeggen, maar ze had me door. Ze fronste en schudde haar hoofd.

‘Wat?!’ zei ik lachend, me zogenaamd van geen kwaad bewust.

‘Kijk hoe zelfingenomen je dat zegt.’

Zeker, het is lekker om te zeggen, zeker tegen iemand die al blij is met vijfhonderd woorden op een hele dag, zoals zij. Het fijnste om te zeggen is: ‘Pas daarna ga ik echt schrijven.’ Alleen jammer dat dat een leugen is.

Vaker niet dan wel ga ik na een stukje echt aan de slag. Soms heb ik een deadline voor een tijdschrift, voor een interview of iets dergelijks, maar ook dat kost me hooguit een uur. Ik ga sporten, of ik doe Oscar in bad, of ik kijk nieuws over MMA op Youtube, een serie op Netflix, of ik neem een piepkleine dosis LSD. Ook kan het zijn dat ik m’n jongens van school moet halen, of dat er een gereserveerd boek voor me klaarligt bij de boekhandel, waar ik dan thee blijf drinken. Uiteraard moet ik ook heel vaak in bad; een schrijver met een penetrante lichaamsgeur is niet meer van deze tijd. (Waarvan akte, Christiaan Weijts?)

Dat is misschien het nadeel van deze stukjes: na de laatste punt is het gedaan. Ik heb iets af, ik heb gewerkt, er is iets gezegd. En het is natuurlijk juist die voldoening die de schrijver zoekt, die hem voortdrijft. Bij een roman is dat een lange afstandsloop, een jacht op die laatste punt, die tegelijk een stip aan de horizon is. 

Maar dat heb ik dus niet. Althans niet meer. Ik heb alleen deze stukjes, die ik schrijf bij de koffie, waarna ik in een open veld sta met aan alle kanten een horizon en nergens een stip.

De volgende keer dat iemand me vraagt hoe lang ik over een stukje doe dan zal ik antwoorden: ‘Begin niet over mijn stukjes. Mijn stukjes zijn de nagels aan mijn doodskist.’


Doneren of een plus-abonnement? Klik hier. Mijn laatste boek heet Wij zeggen hier niet halfbroer.