Nerveus, was ik, voor het interview bij radioprogramma Nooit Meer Slapen. Dat komt door de aard van dit boek, Ernest Hemingway is gecanceld. Het is een boek geschreven als pleidooi voor verwarring en nuance, maar in een persoonlijk gesprek is er een ander mens bij, en dat mens kan vragen stellen die een mening uitlokken, of zelfs een sterke visie, een visie die ik ook wel héb, soms, ondanks of dankzij die verwarring, maar die ik vrees niet goed te kunnen verwoorden, met alle gevolgen van dien (aha, betrapt, zie je wel dat hij er zo eentje is!), waarna ik vooral spijt heb en met een knoop in mijn maag de taxi naar huis instap.

Ja, de VPRO regelt een taxi voor je. Voor mij althans. Misschien niet voor jou. Om tien over tien ’s avonds werd ik thuis opgehaald en rond drie uur ’s nachts was ik weer terug. Ik zat achterin. Tussen mij en de chauffeur zat een plastic scherm. Daar hou ik meestal wel van, van plastic schermen tussen mij en de medemens, en zo ook nu. Ik las een boek en een interview en klooide uiteraard wat met mijn stomme, domme telefoon. Op de terugweg had ik een fles rode wijn, wat een cadeau van de redactie was, en van de chauffeur mocht ik die in de auto lekker opdrinken, maar er zat een kurk in, wat impliceert dat het een goede wijn was, of in ieder geval niet héél slecht, maar hoe dan ook kreeg ik ’m niet open en zat ik daar dus met m’n dorst en m’n gehavende zenuwstelsel naar die heerlijke fles te turen.

Het interview ging wel oké, denk ik. Ik zal onder dit stukje een link plaatsen. In de studio hadden ze ook wijn, en die fles kon gelukkig wel open. Het gesprek was fijn. Met dit boek vrees ik bij ieder interview dat de eerste vraag een aanval zal zijn. (‘ZO, DUS DE WITTE MAN IS ZIELIG WANT HIJ MAG HELEMAAL NIETS MEER?’)

Over de taxi instappen met een knoop in mijn maag gesproken. Ik weet nog, na de publicatie van Berichten uit het tussenhuisje, toen ik te gast bij Pauw was geweest en ook zoiets meemaakte. Dat interview voelde verschrikkelijk; ik zat mezelf alleen maar te verdedigen, te proberen om mijn persoonlijke leven af te schermen van het boek, een boek dat over mijn persoonlijke leven ging. Defensief zat ik daar met mijn armen over elkaar. ‘Het is kunst,’ zei ik. ‘Het is kunst, geen dagboek.’ In die tijd had ik nog Twitter, wat niet bepaald hielp. Mensen daar vonden me hooghartig en pedant. Ik kreeg haast geen lucht. Daar stond toen ook een taxi klaar, naderhand, en ook toen was het al laat en zat ik onderweg uit het raam de donkere lucht te staren, naar de zwarte silhouetten van de bomen en palen en boerderijen en dorpjes en windmolens. Ik zag een wolf rennen, weet ik nog. Hij rende mee met de taxi, aan de overkant van een slootje, en hij hield ons bij, helemaal tot thuis, waar hij nog altijd rondsluipt.

Nou ja, goed, dat was nu dus gelukkig anders. Het was jammer dat ik die fles wijn niet kon openmaken, maar verder was het allemaal wel prima. De chauffeur was ook hartstikke aardig. Als dat plastic scherm niet tussen ons in had gezeten dan had ik misschien wel met hem gepraat. Maar je weet hoe ze zijn, taxichauffeurs. Althans schrijvers weten hoe taxichauffeurs zijn. Want als je als schrijver tegen een taxichauffeur zegt dat je een schrijver bent, dan hebben zij altijd meteen een verhaal dat móét worden opgeschreven, omdat het ongelofelijk is, omdat de chauffeur dingen heeft meegemaakt die ontzettend heftig zijn. En nooit, maar dan ook nooit, krijg je vervolgens een verhaal te horen waarvan je denkt: ja, dit is een boek dat ik ga schrijven.

Ik wil niet generaliseren hoor. Niet alles taxichauffeurs zijn zo. Ik denk niet dat deze zo was. Maar ja, die plastic wand. Niks aan te doen.

 


Als je de uitzending wilt luisteren kan dat HIER. Als je je gratis op deze stukjes wilt abonneren kan dat HIER.