Een tijdje geleden schreef ik over Tennessee Williams. Ik ben nu al een hele poos zijn autobiografie aan het lezen. Het zijn steeds kleine stukjes die ik lees, want het is ook best saai en taai soms. Dan gaat het zo van: en toen werkte ik aan dat toneelstuk, en toen deed die actrice auditie, en toen werd die regisseur erbij betrokken, en toen, en toen. Lang niet iedere lepel met pap heeft een krentje erin.

Waar ik vaak aan terugdenk is de passage waarin hij vertelt over de keer dat hij en een vriend in elkaar werden geslagen door mannen die zich aan hen voordeden als mogelijke sekspartners. De mannen gingen met Tennessee en zijn vriend mee naar hun appartement, waar ze ook daadwerkelijk seks hadden; de mannen lieten zich door hen pijpen, waarna ze hen mishandelden. Mannen die waarschijnlijk hun homoseksuele gevoelens al hun hele leven onderdrukten en hun frustratie botvierden op twee homo’s die ervoor uit hadden durven komen. Dat ik er zo vaak aan denk komt, denk ik, door de manier waarop Tennessee erover schrijft. Het is gewoon een anekdote tussen andere anekdotes: en toen, en toen, en toen. Hij lijkt het zelf niet héél bijzonder te vinden; zoiets kan je nu eenmaal overkomen. Het zegt misschien ook iets over de tijd waarin hij leefde.

Maar goed, ik schreef dus laatst dat stukje. Vanuit De Groene Amsterdammer kreeg ik daarop het verzoek een recensie in essay-vorm te schrijven over The Velvet Rage, of zoals de nieuwe Nederlandse vertaling heet: Fluwelen woede, een boek over homoseksualiteit geschreven door Alan Downs. Het leek ze interessant om er een heteroseksuele kijk op te krijgen.

Het verzoek bracht bij mij allerlei emoties te weeg. Ik had nog nooit iets voor de Groene geschreven. Het zijn alleen intellectuelen die ervoor schrijven. Ik zou tekortschieten en falen. Ik bedoel: moet je eens een stuk van Marja Pruis lezen; die refereert altijd aan andere boeken en zelfs kunstwerken; die heeft een hele catalogus met culturele associaties in haar hoofd, hetgeen haar een meta-perspectief op de zaak biedt. Mijn ex-vriendin had dat ook; die wist ook nog precies wanneer ik wat naar haar had geappt, en kon dat direct terugvinden, en zo deed ze dat ook met de theorieën van filosofen. Maar dat heb ik niet; ik vergeet alles meteen. Die theorieën van die filosofen moest mijn ex-vriendin me ook steeds opnieuw uitleggen, waarna ik het weer vergat. Ze noemde me lui.

Misschien is dat het. Misschien ben ik lui. Een lui brein. Maar zo voelt het bepaald niet. Het voelt juist alsof dat brein altijd aan het werk is, want ’s avonds ben ik kapot. Misschien werkt mijn brein dus wel degelijk heel hard, maar ook heel inefficiënt.

Maar het verzoek deed me natuurlijk ook goed. Het was goed voor mijn gevoel van eigenwaarde. Ik ben er trots op dat ik nu een stuk voor de Groene heb geschreven. Het essay is bovendien goed ontvangen en staat er dus binnenkort in. Ik laat jullie dat tegen die tijd nog wel weten.

Nu denk ik terug aan de eerste keer dat ik iets mocht schrijven voor Vrij Nederland, jaren geleden. Dat gaf me hetzelfde gevoel. Dat ik iets waard was. Dat het misschien wel goed zou komen met mij.

Maar nu moet ik mijn wekelijkse tv-recensie voor Veronica Magazine schrijven. Dat is natuurlijk iets heel anders, maar evenzogoed leuk en daarnaast lucratief. Ik ga het hebben over Robert ten Brink, en hoe oud die is geworden.

Dus dit stukje stopt… hier.


Abonneer je HIER gratis op deze stukjes.