De blauweregen laat haar vergeelde blaadjes vallen. Om de paar dagen veeg ik ze van de tegels. Ze geeft zich over; de sterkste en grootste plant in de tuin accepteert de herfst eerder en sierlijker dan de andere planten, misschien juist omdat ze zo machtig is.

Vooral de planten die uit het gemengde bloemenzaad zijn gekomen willen nog van geen herfst weten. Ik heb ze veel te laat in het jaar geplant; nu pas komen ze lekker op gang. Het heeft iets tragisch, die felle bloemen, open en vruchtbaar, opgericht naar een zon die hen al in de steek aan het laten is, en alle bijen alweer in de korf, in diepe slaap.

Gisteren en eergisteren leek het net zomer. De wilde bloemen konden zichzelf wijsmaken dat er niets aan de hand was, dat alles was zoals het moest zijn, dat de dood niet naderde en de bijen spoedig zouden komen. En ook aan de blauweregen kon je het zien; ze had spijt; het liefst had ze haar gevallen blaadjes bij elkaar geraapt en tegen haar boezem gedrukt.

Overigens doen ook de twee stuks Wolfsmelk het nog heel goed, nog altijd uitdijend, de blaadjes nog helder groen. De jonge eik is wat onzeker. De wintergroene varen lijkt de herfst juist toe te juichen, alsof hij niet kan wachten tot alle planten om hem heen zich gewonnen hebben gegeven en hij hun meerdere is.   

Ook ikzelf raakte bedwelmd door die twee mooie dagen. Ik werkte met de tuindeur open. Af en toe liep ik naar buiten en voegde me bij mijn planten. Ik zat naar hen te kijken op het stoeltje dat ik eigenlijk al had opgeklapt en weggezet. Mijn jongens waren bij hun moeder. Ik had alle tijd maar ook genoeg om te schrijven.

Ik keek naar mijn planten en stelde me voor hoe ik op dat stoeltje zat terwijl om me heen de jaargetijden zich versneld afspeelden. Kale takken, dan knoppen, dan de explosie van groen, de zee van blauw, de bloemen en de bijen, de vergeelde blaadjes, kale takken, opnieuw en opnieuw. Ik zag mijn jongens groeien, ouder en ouder, steeds meer littekens op hun ziel, hoog en fier en sterk, doch steeds meer gebogen onder hun groeiende begrip van alles wat ze nooit zullen begrijpen. Vier jaargetijden, als een ritme, een symfonie, om mij heen, om ons allen heen, terwijl wijzelf als een wilde bloem slechts eenmaal groeien en eenmaal bloeien, resoluut, zonder ook maar het kleinste beetje vertraging, zelfs wanneer we ons verzetten, wanneer we doen alsof de zomer ons nog niet heeft verlaten, onze bloemen open en vruchtbaar, de bijen al in hun korf.


Eenmalige donaties zijn welkom. Ook kun je een abonnement met leuke extra’s nemen. Klik hier. Mijn laatste boek heet Wij zeggen hier niet halfbroer.