De laatste facturen zijn verstuurd en de laatste rekeningen betaald. Om en nabij.

Vinnie (hond) heeft een oefenmiddag achter de rug bij iemand hier in de straat, waar hij zal logeren. Ik zeg steeds tegen hem: ik kom terug, ik laat je niet in de steek. Hij is een ex-zwerver uit Malaga, hij volgt me overal, hij kijkt me met verdrietige ogen na door het raam iedere keer als ik even wegga. Ik overweeg aan zijn oppas te vragen of ik af en toe mag Facetimen. Ik kom terug, ik kom echt terug, brave hond.

Oscar (hagedis) is in winterslaap. Om hem hoef ik me geen zorgen te maken. Ik doe dat wel. Dat ik terugkom en hij op een vreemde plek in het terrarium ligt, in een vreemde houding. Dat hij halverwege de week wakker werd en niks te eten had, of dat er een lamp stukging en hij te veel afkoelde.

Iemand voor de planten moet ik nog hebben. Voor de sproeier, aangezien het nooit meer regent. Misschien kan diegene ook naar Oscar kijken. Mijn wietplanten hebben prioriteit. Ik rook het spul allang niet meer, maar het lijkt me zo leuk om weer eens te oogsten, en het dan aan iemand weg te geven.

Drie stuks handbagage. Een beetje ruimte overlaten voor namaak Gucci kleding; mijn oudste zoon ziet daar meer naar uit dan naar de Turkse zee en de zwembaden. Twee boeken: eentje over de wetenschap van geluk en eentje van een jonge Vietnamese Amerikaan die een brief schrijft aan zijn getraumatiseerde moeder; goeie recensies, veel lof, onder anderen van Max Porter.

Ik kan dit wel. De onrust en somberte in toom houden is een kwestie van goede voorbereiding en beheerste ademhaling. De boel goed achterlaten, dat scheelt al een hoop. Van alle supplementen die ik slik, en waarin ik geloof, mag ik er van mezelf maar drie meenemen. Dit uit angst voor de douane; ik vrees uit de rij geplukt te worden als ik een halve koffer vol met capsules stop. 

Mijn jongens zijn respectievelijk negen en twaalf. Ze zijn inmiddels vaak meer steun dan last. Ik vloog ooit met m’n oudste naar Barcelona; hij wist de gate makkelijker te vinden dan ik. Nee, papa, we moeten déze kant op.

Het grote verdriet neem ik ook mee. Ik moet wel, ook al past het niet in een koffer, heeft het geen handvat en is het te zwaar om te tillen. Het is hoekig en bonkig en rafelig en puntig. Als een zon werpt het lava en vlammen. Als een zwart gat slokt het planeten op. Het trekt zich van mijn voorbereidingen niets aan. Het verandert aldoor van vorm. In Turkije zal ik het in de branding laten zakken, zodat het zoute water de hoeken glad kan polijsten. Ik zal het in de airco leggen, zodat het afkoelt. Ik zal het meenemen de glijbaan in, mijn jongens achterna, opnieuw en opnieuw, tot het lacht van vreugde.


Je gratis abonneren op deze stukjes kan HIER.