Het hotel heet iets met Princess. De exacte naam weet ik even niet. Het is groot en er is veel. Mijn zoons en ik hebben polsbandjes zodat het personeel weet dat we voor all inclusive hebben betaald. Mijn zoons hebben een andere kleur dan ik, want zij mogen geen alcohol. Ook mogen ze tot hun spijt geen shisha-pijp roken, maar die valt toch niet onder all inclusive, dus heb ik een reden om nee te zeggen op hun dwingende verzoek of ik er eentje wil bestellen en dat zij dan een hijsje mogen.

Mijn jongste wil liever in het zwembad dan in de zee. In de zee zijn een paar zee-egels. Ik noem hem een watje. Ik zeg: ‘Dit is de zee, in de zee wonen dieren. Mijn broers en ik kenden vroeger niet anders en we hebben allemaal wel eens een stekel in onze voet gehad. Ook aten we ze rauw, net als de locals. We sneden ze doormidden en aten ze leeg met een lepeltje.’ Dat laatste is niet waar; we gruwelden ervan als we locals dat zagen doen. En persoonlijk heb ik nooit een stekel in m’n voet gehad. Maar ik ging verdomme wel gewoon de zee in.

Ik probeer me eraan over te geven. Echt waar. Aan dit hele gedoe. Ik probeer me niet te ergeren. Maar het is moeilijk. Ik vind bijvoorbeeld het insmeren van m’n kinderen al iets om enorm tegen op te zien. Steeds weer die handeling. De zon in, zwemmen, en dan weer insmeren. En dat is alleen nog maar het insmeren.

Bij het zwembad ligt op alle bedjes ’s ochtends vroeg al een handdoek. Dit ondanks het expliciete verzoek van het hotel om geen bedjes te claimen als je er voorlopig niet op gaat liggen. Maar zo werkt de mens niet; als jij niet valsspeelt dan doet een ander het wel. Het liefst zou ik nauwlettend in de gaten houden wie zich hieraan schuldig maakt, om hen vervolgens te vernederen.

Bij het zwembad is muziek. Ik probeerde Portnoy’s Complaint te lezen terwijl er een latin-house remix van In Tha Club werd gedraaid. Dat lukte niet.

Ook op het strand draaide iemand muziek. Opgefokt ging ik op onderzoek uit om de persoon in kwestie te confronteren. Het bleek van de baai hiernaast te komen. Mijn hart schreeuwde oorlog, maar ik was maar alleen; ik had geen manschappen om me bij te staan in een strijd met een ander hotel. Bovendien moest ik m’n jongens alweer insmeren.

Er had een vrouw bij me moeten zijn. Iemand om me een spiegel voor te houden en me een beetje uit te lachen. Of misschien om tegen me zeggen: ‘Kom, we gaan vlug even naar onze kamer, de jongens vermaken zich wel.’

Nu moet dit stukje mijn spiegel zijn. Ik schrijf het tussen mijn jongens in, op een balkon, met een biertje. Mijn oudste leest, mijn jongste gamet. Oké. Eerder vandaag dobberde ik op m’n rug op zee. Het zout hield me aan de oppervlakte. Zo gaatie goed, zei ik tegen mezelf.


Ölecek olanlar sizi selamlar.