Voor het eerst ging ik naar de Turkse kapper, al wist ik niet dat het een Turkse kapper was. Mijn eigen kapper had geen tijd en dus ging ik naar Duskie, een zaakje hier om de hoek. Ik associeerde de naam met het Engelse dusk, voor schemer, dus ik dacht: het is daar vast allemaal heel hip en trendy. Pas later stond ik er bij stil dat ik het misschien moest uitspreken als een Turks woord, zoals dürüm döner; dus niet als dusky maar als düski.    

Aan het werk waren twee mannen en twee vrouwen. De mannen waren Turks. Ze hadden strakke baarden, opgeschoren haar en V-halzen. Ze stonden vooraan in de winkel. De vrouwen waren wit en stonden achteraan. De mannen, nog vrij jong, hadden het meeste te zeggen, en één van hen was overduidelijk de baas. Bij hem kwam ik terecht.

Ernstig keek hij naar mijn chaotische krullen. Ze waren lang en vet. Het moest gewassen. Terwijl hij de shampoo in mijn haar en hoofdhuid masseerde luisterden we naar More Than Words van Extreme. Het was heel intiem. Althans voor mij. Voor hem misschien ook, en voor hem misschien zelfs iets te, want opeens begon hij me pijn te doen: hij gaf kleine, maar felle rukjes aan mijn haar, alsof hij wilde testen of het nog wel vastzat.

Eenmaal voor de spiegel vroeg hij of hij het moest opscheren. ‘Mag opknippen ook?’ vroeg ik. Dat mocht. Hij ging aan de slag en kletste in het Turks met de kapper naast hem.

Een vrouw met hoofddoek kwam binnen. De kapper en zij begroeten elkaar vriendelijk en spraken Nederlands. De vrouw vrij gebrekkig. Ze liep door naar de witte dames achterin de zaak en nam haar hoofddoekje af. Dat deed ze zonder schroom. Ze toonde geen enkele blijk van zelfbewustzijn of ongemak. Ik, daarentegen, was een beetje geshockeerd, alsof ze zomaar haar borsten had onthuld. Ze had roodgeverfd haar met een strook grijze uitgroei van ongeveer vijf centimeter.

Wat het kostte, wilde ze weten. De witte vrouw gaf de vraag door aan de baas. ‘Knippen en verven is vijfenveertig,’ zei hij. De vrouw was het daar niet mee eens. ‘Vorige keer was dertig,’ zei ze. Ik zag aan de baas dat het niet kon, dat het niet klopte, maar zonder aarzelen zei hij: ‘Dertig? Oké, is goed.’ Maar nu zei de vrouw: ‘Het was zesentwintig.’ Waarop de baas zei: ‘Dat was dan alleen uitgroei verven.’ Nee, zei de vrouw. Alles verven. ‘Oké,’ zei de baas. ‘Zesentwintig.’ En daarna, tegen niemand in het bijzonder: ‘Gewoon oké zeggen. Altijd oké zeggen.’ Hij zei het vrolijk, alsof hij geen zorgen kende.

Hij föhnde mijn haar. Het was lekker fris: kort aan de zijkanten en bovenop wat langer; eigenlijk precies zoals hij en zijn collega het hadden, maar dan zonder het opscheren. Hij vroeg of het zo goed was. In de stilte die viel, en de tijd die ik nodig had om te besluiten of ook ik zou afdingen, luisterden we naar Everybody Dance Now van C&C Music Factory.

Ik zag er goed uit. Ik betaalde de volle mep. Ik overwoog een V-hals.


Doneren of een betaald abonnement? Klik hier. Deze stukjes per mail? Klik hier. Mijn laatste boek heet Wij zeggen hier niet halfbroer.