Na mijn tweede bezoek verliet ik het appartement voor ’t laatst, wetende dat ik die man niet nog eens zou zien. Hij is ziek. Kanker. Ooit begon het in zijn milt, maar inmiddels is het uitgezaaid. Wie deze man is kan ik nu niet vertellen en doet er ook niet toe, althans niet binnen de context van dit stukje. Vijfenzeventig, nog bij de pinken, ondernemer en vrijwilliger en hobbyist en wilskracht voor tien. Hooguit nog een paar maanden te leven. Ik interviewde hem. Na de eerste keer had ik nog niet genoeg materiaal, besloot ik, en dus ging ik nog eens. ‘Wel thuis, maestro,’ zei hij, eerder vandaag, toen ik vertrok. Zo noemde hij me ook de eerste keer al, meteen al toen ik binnenkwam. Gek hoe snel je aan een koosnaam kunt wennen, en hoe goed dat kan voelen, mits hij door de juiste persoon aan je gegeven wordt. Ik voel me geen maestro, op geen enkel gebied, maar toen hij het zei was ik geneigd om hem te geloven, en voelde ik iets wat leek op trots.

Wat ook gek is: als hij niet ziek was geweest had ik hem hierna waarschijnlijk óók nooit meer gezien. In die zin is er geen verschil: wel ziek of niet ziek. Toch voelt het alsof ik hem nooit meer zal zien omdát hij binnenkort doodgaat. Het is puur de wetenschap, dat hij nog maar heel even te leven heeft, die het afscheid een andere lading geeft. Ik weet niet of dat melodrama is, en dus een soort poëtische sentimentaliteit, of juist een helder besef van iets waar we normaal niet aan denken: de sterfelijkheid. Als iemand weet dat hij stervende is, en dat tegen je zegt, dan weet je zelf ineens ook dat je stervende bent, dat er eigenlijk geen verschil is tussen jullie twee. Er is dan ineens geen ontkomen meer aan. Het is alsof iemand de steen optilt waaronder je verscholen zat. Het licht doet pijn aan je ogen, als een pissebed ren je naar een nieuwe steen.

Godver, gaat ook dít stukje weer over de dood? Het is niet mijn bedoeling. Geloof ik.

Maar wat het óók doet, zo’n ontmoeting of confrontatie, is het léven benadrukken. Dat je er iets van moet maken, dat het niet niets is, dat er te weinig tijd is voor angst en schuilen onder stenen. Iedere keer als we iets niet aangaan leggen we er nog een steen bovenop. Want het felle licht is altijd eng, of het nu onze sterfelijkheid betreft, of de liefde, of kwetsbaarheid, of intimiteit, of ambities. Ik ken, geloof ik, niemand die in het volle licht leeft. Waarschijnlijk is dat simpelweg onmogelijk. Ik denk dat verduistering zoeken—in meer of in mindere mate—inherent is aan mens zijn. Het wezen dat in het volle licht leeft heeft geen schaduw meer, die zie je niet, is al ergens anders.

Men are not free when they are doing just what they like,’ schreef D.H. Lawrence. ‘Men are only free when they are doing what the deepest self likes. It takes some diving.

Dat heb ik moeten leren. Lang dacht ik dat vrijheid was dat je kon doen wat je wilde. Dus dat deed ik. Maar het bleek helemaal niet te zijn wat ik wilde, althans niet wat die ‘diepere zelf’ wilde. Daar kom je ook niet zomaar achter. In ieder geval ik niet. Vandaar dat laatste zinnetje: It takes some diving. Afdalen in je onderbewuste, net zo diep tot je je hart hebt gevonden.

Na mijn bezoek aan de man met kanker reed ik naar huis en deed ik boodschappen. Vervolgens deed ik wat ik altijd al heb willen doen. Tijdens mijn leven ging het al tientallen keren door me heen, maar nooit deed ik het. Nu wel. Ik kocht een verpakking met flesjes Yakult. Van die kleine flesjes met één slok erin. Ze zijn duur, het is de bedoeling dat je er eentje per keer drinkt. Ik heb er wel eens twee gedronken, of zelfs drie, maar dat kwam nog niet in de búúrt van mijn diepste verlangen. Nu was het moment dan eindelijk gekomen. Thuis schonk ik alle flesjes leeg in een groot glas. Dat glas dronk ik leeg. Het was precies zo lekker als ik had verwacht.

 


Het leven is kort, gun jezelf geluk en abonneer je gratis op mijn stukjes. Dat kan HIER.