Vaak ben ik een valk. Wanneer mijn blik aldoor op het telefoonscherm, een boek open op schoot. Het hart kantelend, verpletterd door zichzelf, terugdeinzend zonder uithoek. Lange draden aangesloten op het brein, draden in alle kleuren, en verderop een schakelaar die knarst en knettert onder een lekkend dak; niemand die nog weet hoe hem uit te zetten. Dan ben ik een valk. Hoog in de lucht, de herfstkou tussen mijn veren, zachtjes ruisend, zo glad, zo gestroomlijnd, zo gemakkelijk. Ik ben formidabel, maar als je me in je handen hebt zul je niet geloven hoe weinig ik weeg. Vederlicht. Ik ben een valk als ik onder me de kern van de aarde voel gloeien, en gloeien, en gloeien, en naar boven wil, mijn poten klaar om niets te grijpen. Wat mooi is: in de huizen zie ik geen pijn. Ik zie alleen daken, nee kleuren, nee vlakken. Ik kijk door ogen die sinds het begin van de tijdloze tijd slechts de spiegel van het eigen bewustzijn hebben waargenomen. Alles komt in mij samen, heeft in mij vorm gevonden. Alles verlaat mij, glijdt als een kind op een glijbaan van mijn perfect gevormde staart af. Ik geloof niet dat ik iets zoek. Ik geloof niet dat ik honger heb. Ik geloof niet dat ik zelfs met mijn vleugels hoef te slaan. Net als ik denk dat er iets aan de hand is, dat ik ergens aan word herinnerd, dat ik me zorgen moet maken, word ik verblind door een fel licht, ergens naast me, en sluit ik mijn ogen. Zonder nadenken weet ik waar ik naartoe moet. Met een soepele vleugelverstelling verander ik van koers. Dat licht in. 


Ik schreef ook boeken en je kunt je abonneren en etc. etc.