Vetbollen ophangen voor de vogeltjes voelt buitenproportioneel goed. Met een dik linkeroog, het resultaat van een ontstoken ooglid, deed ik het gisteren. In mijn zonovergoten maar bijkans bevroren achtertuin hing ik vijf bollen op.

Ik deed iets góéds. Hongerige, verkleumde vogeltjes zouden overleven dankzij mij. Ik had de wereld een stukje beter gemaakt. Vergeet de auto waarmee ik CO2 de atmosfeer in pomp. Vergeet het vlees dat ik soms eet en waar per kilo honderden liters drinkwater voor worden gebruikt, nog even los van het dierenleed. Vergeet alle plastic verpakkingen die ik weggooi. Dat alles werd namelijk volledig gecompenseerd door het ophangen van vijf vetbollen.

Het ooglid was ontstoken sinds een dag eerder; na een lange nacht diepe slaap werd ik ermee wakker en het werd alleen maar dikker. Ik zag eruit als Rocky Balboa. Ik begroette mijn zoontjes die ochtend niet met ‘Goedemorgen’ maar met ‘Adriaaaaaan!’ 

Toen ik naar de stad wandelde om drie gereserveerde boeken op te halen merkte ik dat er anders naar me werd gekeken; de mensen waren me minder goedgezind; ze keken eerder weg of liepen met een boogje om me heen. Eigenlijk voelde dat wel goed. Ik ging wat breder lopen, staarde passanten wat langer en harder aan. Het voelde alsof dit was wie ik in feite moest zijn. Dit was mijn ware ik en dit was de bejegening die ik verdiende. 

Ik had al een paar uur zitten werken, met zicht op de achtertuin, en nog altijd had ik niet één vogeltje op een vetbol zien landen. Waarom niet? Omdat ze me natuurlijk zagen zitten met mijn oog. Die laffe vogeltjes; vijf heerlijke vetbollen maar geen veer in hun dek die eraan dacht om in de achtertuin van de cycloop neer te strijken.

Wel verscheen er ineens een roze ballon, in de vorm van een hartje. Hij zat een tijdje klem tussen de takken van de blauweregen en viel toen op de grond, waar hij bleef deinen en slepen alsof in het bezit van een eigen wil. Na het een uurtje te hebben aangezien liep ik de tuin in met een keukenmes en stak de ballon dood. 

Van werken is het niet meer echt gekomen. Ik heb vooral naar buiten zitten staren, grimmig, mijn zicht belemmerd door het dikke ooglid. In het vervolg zou ik niet langer proberen goed te zijn, besloot ik. Vanaf nu was ik alleen nog maar slecht.


Lees je deze stukjes graag? Je kunt je erop abonneren of je waardering laten blijken door een eenmalige donatie. Op 27 maart verschijnt Berichten uit het tussenhuisje.