Op de kast in de slaapkamer van mijn oudste zoon staat nu een klein vliegtuigje van Transavia. Hijzelf is niet thuis. Gisteren, na ons weekendje Barcelona, namen we afscheid. Het modelvliegtuigje was de laatste verwennerij en kwam als een verrassing: ik had gezegd dat hij er – na het Casio G-Shock horloge en de pet van FC Barcelona – echt niet op moest rekenen. Op Schiphol, gisteren, vergat hij het in de Albert Heijn. Op het perron voor de trein naar Eindhoven kwam hij erachter. Zijn eerste reactie was huilen; hij was doodmoe en de tranen zaten al aan de oppervlakte. We renden terug, onze rolkoffers achter ons aan, en vonden het vliegtuigje naast de kassa.

Ook bij mij zaten de tranen aan de oppervlakte. We hadden het zo goed gehad samen, en het was zo intiem, dat ik nu, op de dag van de terugreis, vooral voelde hoe zeldzaam het was geweest, en me bewust was van het aanstaande afscheid; niet alleen het afscheid aan de deur van zijn moeder, maar ook het afscheid van hem als kind. Daarom wilde ik het reisje nú maken, voor hij het harnas van de puberteit had aangetrokken.

Tranen aan de oppervlakte, ook omdat ik de avond ervoor, op het Plaça Reial, een Ricard te veel had gedronken. We waren uit eten geweest in het statige restaurant La Fonda, waar mijn zoon zijn eerste gazpacho at en daarna een pannetje mosselen bestelde. Nu, op het plein, te midden van de monumentale panden en palmbomen en straatartiesten, viel de avond en zetelde ik in de warmte van de trotse vader. Mijn zoon gaf licht, zo tevreden en wakker was hij, zo bevangen door de magie van dit bruisende plein. Van een straatventer kocht hij een plastic projectiel met een ledlampje. Hij schoot het weg en rende erachteraan; een vallende ster die in zijn handen uitdoofde, steeds weer. Daarna praatte hij met twee Amerikaanse mannen die naast ons zaten. Hij sprak zijn hakkelende Engels en ze verstonden hem; hun knikkende hoofden en vertederde blikken deden hem haast opstijgen als zo’n vliegend lampje.

En ja, een Ricard smaakt goed bij vertedering. Dus doe er nog maar één.

‘Je was dronken, dat weet je hè?’ zei hij de volgende dag, in de bus naar het vliegveld.

Ja, dat wist ik. Ik voelde het aan de kater. En ik schaamde me. Voor hem. Het was niet goed, onverantwoord, en daarbij had ik hem mijn decorumverlies niet willen aandoen. ‘Je stak je hoofd in een prullenbak,’ zei hij. ‘En je deed karatetrappen.’ Dat we het hotel hadden gevonden was waarschijnlijk dankzij hem geweest.

Op het vliegveld, achter een grote cola, sprongen de tranen in zijn ogen. Hij dacht terug aan ons gesprek, daar op het Plaça Reial, waarin ik had gezegd dat hij als puber waarschijnlijk wat meer zijn eigen weg zou gaan, en dat we elkaar dus een beetje zouden kwijtraken. ‘Dat wil ik niet,’ zei hij nu. Direct had ik spijt van mijn woorden, van de volstrekt ongepaste Ricard-sentimentaliteit.

De tranen die ik daar voelde opkomen zijn sindsdien niet meer weggegaan. Het vliegtuigje op zijn kamer kan ik niet aanzien.


Recentelijk verscheen mijn nieuwste boek: Berichten uit het tussenhuisje. En in ander nieuws: Wij zeggen hier niet halfbroer is genomineerd voor het Beste Boek Voor Jongeren 2018.