We weten niet welk veld, mijn oudste zoon van elf en ik. Het is zijn eerste wedstrijd. Hij loopt naast me op zijn voetbalschoenen, maatje veertig. ‘Ik denk daar,’ zegt hij. Ik denk van niet, maar ik zeg niks; de laatste paar keer dat ik de weg dacht te weten kreeg hij gelijk. Ook nu weer, blijkt.

Ik wil hem helpen, hem bijstaan, omdat ik zie dat hij het spannend vindt, maar hij zegt: ‘Ga maar bij die andere ouders staan.’ 

Ik heb nooit gevoetbald, ik weet niet hoe dit werkt. De oma van een andere speler biedt me koffie aan uit een thermoskan. Ik vraag me af of het een roulatiesysteem is; wellicht is het volgende week mijn beurt?

Als de wedstrijd is begonnen sta ik naast een paar vaders van de tegenpartij. Ze hebben het over hun werk, over zaken en lease-auto’s, hun handen trefzeker in de broekzakken. Af en toe schudden ze misprijzend hun hoofd. ‘Daar links, daar staat dus gewoon níémand,’ zegt een vader. Ik volg zijn blik en beaam het. ‘Er staat daar inderdaad echt niemand,’ zeg ik.

Ze staan achter, de tegenpartij. De vaders mopperen. ‘Moet je zien hoe lang die nummer 10 is. Bekant twee koppen groter dan onze jongens.’ Nummer 10 is mijn zoon. Hun onvrede neemt toe. ‘Ze kunnen het wel, maar ze doen het niet,’ zegt een vader. ‘Als ze gewoon voetballen dan winnen ze.’ 

Mijn zoon scoort twee keer. Hij kijkt naar me om, wil zien of ik wel kijk. Dan doet hij iets wat blijkbaar niet mag. Hij schiet de bal op een moment dat die aan de tegenpartij moet worden overgedragen. En erger nog: de bal raakt een tegenspeler. Ik zie de gêne op zijn gezicht. Hij is kwaad op zichzelf en ik weet dat zijn vreugde om de twee doelpunten niet zal opwegen tegen de somberte om deze fout. Hij staat zo ver weg; ik wil het veld oplopen. De vaders praten nog, maar ik hoor ze niet meer.

Als ons team 5-2 voorstaat moedig ik een keer de tegenpartij aan, wat klaarblijkelijk niet de bedoeling is. Wanneer de bal uit het veld rolt wil ik hem terugschoppen, maar ik schop mis.

De zon zakt en de lucht, smetteloos, weerspiegelt een innerlijke rust die ik nergens kan vinden. Een zwerm ganzen vliegt over. Ik zeg: ‘Die ganzen bekommeren zich niet om de doelpunten op dit veld.’ Even word ik aangestaard, dan genegeerd.

Na de wedstrijd pak ik mijn jas van de grond. Als ik hem dichtrits voel ik iets kriebelen tegen mijn lippen. Touwtjes van de rits, gok ik, maar als ik het aanraak valt er een verdwaasde bij op de grond. Ik lach, omdat ik niet ben gestoken, omdat ik aan iets ben ontkomen, maar niemand heeft het gezien. De bij ligt op zijn rug tussen de ouders, beweegt driftig al zijn pootjes en wordt dan vermorzeld onder een schoen.

Mijn zoon wandelt naar me toe, zwijgend, een frons op zijn voorhoofd. Ik knijp in zijn nek. ‘Ik ben trots op je,’ zeg ik, waarop hij knikt en mijn hand weghaalt.


Recentelijk verschenen: Berichten uit het tussenhuisje. Je abonneren op deze stukjes kan hier.