Mijn jongste zoon en ik liepen naar huis en stopten bij de voortuin die geen voortuin is maar een vijver. De bewoners van het huis verwijderden alle stenen, en alle aarde, en vulden de totale oppervlakte met water. Om bij de voordeur te komen moet je over een houten bruggetje. Het is een rijtjeshuis; in de straat zijn alle voortuinen netjes omheind, meestal met een betonnen muurtje, en dan is er dus ineens een grote bak water. Er staan geen planten eromheen, er zijn geen grasgroene overs. Het is een grote vierkante bak met water. Eroverheen is een net gespannen waaraan nu ijs kleeft. Mijn jongste en ik rustten met onze armen op het betonnen muurtje en staarden in het koude, heldere, donkere water. De koikarpers—minstens dertig stuks, in alle maten en kleuren—dreven bewegingloos op verschillende diepten, als onderzeeërs in afwachting van orders.

‘Ze zijn in een soort winterslaap,’ zei ik.

‘Ja,’ zei mijn zoon. Meer hadden we er niet over te zeggen.

Het is wat ik mooi vind aan vrieskou: hoe alles verstilt, soms tot het punt dat het niet meer in leven lijkt te zijn, zoals kikkers die diep in de modder zitten met amper nog een hartslag; hoe moleculen elkaar vasthouden in plaats van elkaar los te laten (denk aan een hondendrol in de sneeuw, die je niet ruikt, en dan aan een hondendrol in de zomer, die zijn moleculen met bakken tegelijk in de lucht gooit). Het heeft iets hygiënisch, de vrieskou.

(Mocht je nu vrezen dat ik, net als gisteren, de metafysische weg insla: geen zorgen, ik beheers me. Na het stukje van gisteren had ik plots zeven abonnees minder. Het volk heeft gesproken.)

In het bos is het nu schitterender dan ooit. Ook daar is alles verstild. Ik zie amper mensen. De gebieden buiten de paden hebben geen voetafdrukken; de volmaaktheid strekt zich uit tot in mijn eigen geest, waar iedereen altijd maar doorheen banjert en afdrukken achterlaat. In het zonlicht fonkelt de sneeuw, verblindend, en als ik er toch naar kijk zie ik miljoenen kleine diamantjes schitteren. Gek genoeg zijn de vogels juist helemaal niet stil; die voelen de lente al, en ik, door hen, ineens ook. Langzaam word ik warmer; het wandelen doet de motor draaien. Ergens moeten hier ook de Schotse hooglanders zijn, maar ik zie ze niet. Ik vind het bijna mooier om ze níét te zien dan wél; ik waan me dan Peter Matthiessen in Nepal, in de jaren zeventig, op zoek naar de sneeuwluipaard die hij nooit eentje te zien kreeg. De onzichtbare aanwezigheid ervan—wéten dat zo’n dier er is, dezelfde ruimte ermee delen maar het niet kunnen zien—heeft iets magisch.

Ik probeer mijn aandacht erbij te houden. Waarbij, vraag je? Dat doet er eigenlijk niet toe. Nu voel ik de vermoeidheid in mijn benen, nu het zeuren van mijn onderrug, nu hoor ik de vogeltjes, nu mijn eigen ademhaling. Natuurlijk dwalen mijn gedachten af. Het boek dat ik schreef en het boek dat ik wil schrijven of misschien juist helemaal niet wil schrijven. Het maatschappelijk geëngageerde YouTube-filmpje waarover ik me opwind. De vrouw die ik te leuk vind. Mijn oudste zoon op zijn zolderkamer, voor zijn laptop, afgezonderd, dag na dag.

Maar ze sleuren me niet mee, die gedachten. Ze zijn de baas niet. Want wat ik al zei: dat is wat ik zo mooi vind aan de vrieskou. Ook gedachten worden trager. Als onderkoelde vissen liggen ze diep in de ijskoude vijver. Af en toe beweegt er eentje een vin, alsof hij zich een bestemming herinnert, maar die beweging is te traag, meer als een kieuw die even opengaat om wat zuurstof toe te laten.

‘Ja,’ zei mijn zoontje. Meer had hij er niet over te zeggen. Toch bleef hij er lang naar staan kijken.

 


De referentie aan Peter Matthiessen betreft zijn bekende boek met reismemoires: The Snow Leopard. Je kunt je HIER op deze stukjes abonneren.