In dit huis woon ik nu vijftien jaar. Minus twee jaar, van 2015 tot 2017, de periode na mijn scheiding. Toen ik er in 2017 weer kwam wonen was het huis voor mij alleen.

Tijdens deze quarantaine breng ik er nog meer tijd door dan anders. De lente breekt aan en dat gaat gepaard met allerlei dingen die al vijftien keer plaatsvonden. De blauweregen maakt zich weer klaar voor explosieve bloei, de slakken komen weer naar boven door de oude planken van originele houten vloer, de hazelaar in de voortuin ontneemt me iedere dag wat meer zicht op de straat. Ik slaap op zolder; ’s ochtends vroeg word ik gewekt door de pootjes van amoureuze duiven op het dak.

Een tijdje geleden tekende ik me in op een hip nieuwbouwprojectik zou er zelfs gaan samenwonenmaar dat werd duurder en duurder, tot ik eruit moest stappen en ook degene met wie ik zou gaan samenwonen er niet meer was. In januari stond een verbouwing gepland. Ik had behoefte aan verandering, aan iets nieuws, een nieuw begin: de huiskamer uitbouwen, een grote leefkeuken maken, een nieuwe vloer laten leggen, een nieuwe badkamer plaatsen. Maar de Belastingdienst gooide roet in het eten. Ik heb het moeten uitstellen.

We zijn dus weer op elkaar aangewezen, mijn huis en ik. Het is oké. Alleen heeft zo’n huis veel geesten, en dat worden er alleen maar meer. Het alsof ik in de tastbare manifestatie van mijn herinneringen leef. Voor een melancholiek aangelegd persoon als ik is dat soms niet makkelijk.

Gisteren maakte ik het bed op van mijn jongste zoon. In de grote, rommelige kast met beddengoed en kleren zocht ik naar de juiste lakens. Ik vond bedovertrekken die ik nog met ex-vrouw gebruikte naast nieuwer beddengoed dat ik kocht met mijn ex-vriendin. Ook vond ik beddengoed dat zelfs voor mijn jongste zoon inmiddels te klein was.

Daar sta je dan, met die lakens in je handen. Je hart een gesmolten ijsje.

Dit huis is een open raam: alles waait erdoorheen en is verdwenen.

Mijn oudste zoon, die eergisteren dertien jaar is geworden, kwam gistermiddag buiten adem thuis en plofte met een rood hoofd naast me op de bank neer. Hij was de hele dag met vrienden buiten geweest. Blijkbaar waren ze nog meer vrienden tegengekomen, tot ze met z’n elven waren, en toen kwam de handhaving om boetes uit te delen, waarop ze allemaal wegrenden. ‘We splitsten op, want dat moet je dan altijd doen,’ zei mijn zoon, alsof hij bij een politieke demonstratie met Molotovcocktails had staan gooien. Naast me belde hij vervolgens al zijn vrienden. Wie was er gepakt en wie niet? Eén iemand was gepakt, want die had een verstuikte enkel en kon niet goed rennen.

Toen ik in de tuin werkte zag ik een walnoot liggen, half verscholen in de aarde naast een klein plantje. Hoe de walnoot daar terecht was gekomen wist ik niet. Ik wilde haar pakken, maar ze zat vast. Pas toen zag ik dat ze een beetje openstond en dat het plantje ernaast uit haar kwam gegroeid. Het plantje was de walnoot, de walnoot was het plantje. Ik dekte de noot toe met aarde.

Het plantje laat ik groeien. Namens dit zuchtende huis heet ik haar welkom.

 


Je kunt je op deze stukjes abonneren en wel HIER.