In de bewaakte, betonnen fietskelder onder Eindhoven CS stootte ik mijn hoofd, hard, tegen een metalen fietsbeugel. Ik greep naar de pijn en zocht naar een handvat, probeerde het van me af te trekken, mijn gezicht een grimas, binnensmonds vloekend.

In de bibliotheek van Nijmegen, waar ik die avond geïnterviewd zou worden en twee workshops moest geven, voelde ik de bult groeien en hitte uitstralen. Ze hadden in die bibliotheek de grote lichten uitgedaan en er was een provisorisch barretje neergezet. De afsluiter was Pepijn Lanen en ook was er iemand genaamd Yung Internet. Een avond voor jongeren.

Ik liep wat rond en dronk van een flesje bier. De bult zat vlakbij mijn kruin en zond aldoor warme golven uit, alsof ik MDMA had geslikt en het spul net begon te werken. Daardoor had ik steeds het gevoel alsof dat ik me op de grens van een volgende fase begaf, maar dat heb ik eigenlijk altijd.

Het interview duurde een kwartiertje. De interviewer en ik zaten op hoge krukken en natuurlijk deed de microfoon het eerst niet. Ik deed mijn best op de antwoorden. Hoe dat in z’n werk gaat, schrijven. Ik hoorde mezelf praten en wist dat ik niet in de buurt van de waarheid kwam. Als je dat eenmaal weet, en je blijft toch praten, dan voel je je een fraudeur en is het alsof je je talent bezoedelt.

Nee, het is dit: door over je talent te praten met ontoereikende woorden is het alsof je talent afdaalt naar die woorden, zich eraan conformeert, waardoor je overblijft met een ontoereikend talent.

De workshops waren geen workshops. Nooit als ik een workshop geef is het een workshop. Ik begin gewoon te praten en op een gegeven moment komen er vragen. De mensen zijn daarna iets wijzer, hoop ik. In ieder geval ben ik eerlijk geweest. Eén vraag luidde: ‘Heb je ook hier al iets meegemaakt waarover je een stukje wilt schrijven?’ De hete golven trokken door mijn schedel. ‘Nee,’ zei ik, en loog niet.

Een volgende vraag, gesteld door een meisje dat me al een hele tijd had zitten aanstaren met een mengeling van bewondering en geldingsdrang in haar ogen: ‘Hoe voel je je nu? Hoe voel je je op dit moment?’

Ik aarzelde, fronste, lachte, voelde de hitte toenemen. ‘Dat lijkt me niet relevant,’ zei ik.

Waarop ze reageerde: ‘Ik wilde je je niet ongemakkelijk laten voelen hoor.’

‘Ik voel me niet ongemakkelijk,’ zei ik.

Na afloop wilde ze met me op de foto. Ze zei het nog eens: ‘Ik hoop niet dat je je ongemakkelijk voelt.’ Ik wist toen zeker dat ze dat wél hoopte. Ze hoopte dat ze me aan het wankelen had gebracht, dat ik zou vallen, zo haar schoot in. 


Een eenmalige donatie doen of een plus-abonnement nemen? Leuk! Dat kan hier. Mijn laatste boek heet Wij zeggen hier niet halfbroer.