‘De wekker gaat weer ’s nachts,’ zei ik tegen mijn jongste zoon, vanochtend om kwart over zeven. Op de overloop, in zijn onderbroekje, wreef hij in zijn ogen. Ik stond naakt de intervaltimer in te stellen, voor mijn koude-doucheprogramma. Die douche wordt iedere ochtend kouder, nu ook het grondwater kouder wordt, maar sinds ik ermee ben begonnen heb ik nog geen dag overgeslagen. Hoe dan ook, die kleine keek me niet begrijpend aan. ‘Ik bedoel dat het voelt alsof het nog nacht is,’ lichtte ik toe. Hij haalde zijn schouders op en ging de trap af; snel zijn boterhammetjes smeren en dan nog even gamen.

Maar hij moest dat toch ook voelen, het gevoel als de herfst is ingetreden, ’s ochtends, dat het is alsof je lichaam losscheurt van een groter lijf, dat je wordt gescheiden van iets wat volmaakt was, als een geboorte, al kan ik me dat niet herinneren. Als kind, als in het pikkedonker van een winterochtend de wekker ging, raakte ik wel eens in paniek. In gedachten schreeuwde ik dan: dit kan niet, dit kan niet, niet nu al! Alles eraan was fout. Ook de afgelopen paar jaar werd ik vaak wakker met dat gevoel, dat alles fout was, ook als het allang licht was wanneer ik opstond. Het is er altijd wel, dat gevoel, maar de laatste tijd gaat het beter. Ik schud het van me af. Ik zeg: nee, en dan gaat het weg, waarna ik aan die koude douche begin.

Maar mijn oudste zoon, die nu dertien is, die moest het toch zeker voelen, hoe de ochtenden steeds donkerder werden, hoe de warme zee van slaap en geborgenheid steeds moeilijker te verlaten werd? Pubers slapen graag uit; de donkere, vroege winterochtenden vond ik het ergste als tiener. Ik deed zijn kamerdeur open, zoals iedere schoolochtend, en wilde net zijn grote licht aandoen toen hij al riep: ‘Goeiemorgen, loser!’ Het licht aan, zijn grote grijns half verscholen achter het dekbed.    

Misschien was alleen ik het, die het zo sterk voelde. Ik kon het me haast niet voorstellen, maar ik projecteer wel vaker dingen van mezelf op mijn jongens. Daarom maak ik me altijd zo’n zorgen om ze, omdat ik vrees dat ze zich later als ik zullen voelen.

We ontbeten, ieder op een eigen plekje. Ik zat aan tafel de Groene te lezen. Mijn jongste moest als eerste naar school. Ik stak mijn armen naar hem uit en hij liet zich knuffelen, zogenaamd met tegenzin. Toen daarna ook mijn oudste moest vertrekken gaf hij me een lel tegen mijn achterhoofd en een stomp tussen mijn schouderbladen. ‘Nerd,’ zei hij, en gaf me een kus.

Ze waren weg. Het was inmiddels licht geworden. Er was een afwas. Er was een boek. Ik moest aan de slag. Ik rukte me los.

 


Als je deze stukjes graties en voor niets in je inbox wilt ontvangen kun je je HIER abonneren.