Mijn uitgeverij stuurde me het boek toe waarvan ze de rechten hebben gekocht en dat ze hebben vertaald: Chamber Music, Over de Wu-Tang (In 36 stukken). Het is net verschenen. Bij dezen maak ik er reclame voor en heb dus nu voldaan aan mijn gedeelte van de deal. Hun gedeelte is dat de letters op de kaft van mijn volgende boek van goud zullen zijn.

Het is een boek met essays over de rapgroep Wu-Tang Clan, en dan met name over hun nu vijfentwintig jaar oude klassieker Enter The Wu-Tang: 36 Chambers. De schrijver, Will Aston, neemt soms flinke zijwegen en schrijft daardoor, geloof ik, over veel meer dan alleen Wu, maar ieder essay is te herleiden naar de groep rappers.   

Toen het album verscheen was ik veertien. Iedere beat en iedere sample staat in mijn geheugen gegrift. Het betrof een periode die ik ook al uitgebreid in Halfbroer beschreef. Ik zat op mijn krakkemikkige zolderkamertje aldoor stoned te zijn. In die tijd kon ik dat nog, nu niet meer; nu word ik er angstig en verward van, eigenlijk al sinds een psychose op mijn zestiende, veroorzaakt door te veel amfetamine.

Maar als ik 36 Chambers luister (of andere rap-albums van toen: Nas – It Was Written, Tupac – All Eyez On Me, Cypress Hill, Temples of Boom) dan weet ik weer een beetje hoe dat was. Hoe lekker het was. Die trage, kalme, warme zee waarin ik wegzonk en toch kon blijven ademen. Hoe de beats deel van me werden, hoe die rappers af en toe met mijn mond leken te spreken (ook al was hun wereld de mijne niet; het was de emotie erachter, de bravoure), hoe ik een soort dramatisch machismo voelde dat ik zó nodig had. Verder wegdrijven, dieper die muziek in.

Dat willen verdwijnen en ergens in opgaan, het dempen van de innerlijke dialoog en onrust, het verruilen van waakzaamheid voor roes; dat is iets om in de gaten te houden, dat weet ik. In die zin is het destijds misschien een geschenk geweest, die tijdelijke gekte waardoor het roken van wiet er niet meer voor me inzit.

Temples of Boom, wat een fantastische titel is dat eigenlijk. Boom, een explosie in je hoofd. Boom, een rookwolk. En dan die wolk inlopen, die mist inlopen, en daar verblijven, in de troebele tempels van je eigen geest. Maar goed, die titel is van Cypress Hill en niet van Wu.

Wat betreft dat boek, ik kan je er niet zoveel over zeggen; ik heb het nog niet gelezen. Maar het is goed dat het er is, dat vind ik nu al.


Abonneer je HIER gratis op deze stukjes en HIER betaald (met extra’s).